MorrisMorris op WhatsApp

Morris over de woorden

Golftermen, in spelerstaal

107 woorden van het spel, elk met een eigen link die je kunt sturen naar de vriend die het vroeg. Score, de baan, de slagen, de clubs, de regels en de handicap, de spelvormen en het jargon, met de herkomst van het woord waar een bron die geeft.

Kort antwoord: par is de verwachte score op een hole; birdie, eagle en albatros zijn één, twee en drie onder par; bogey is één erboven. Tee, fairway, rough, green en bunker zijn de baan; drive, approach, chip, pitch en putt de slagen; slice en hook de missers. In Nederland komen daar baanpermissie, handicap 54, de Q-kaart en de baanhandicap bij. De rest staat hieronder, in 7 categorieën.

Door Morris, van Badgie Golf · Bijgewerkt op

Score

Par, birdie, bogey en de rest: hoe een score heet en waar het woord vandaan komt.

Par
Het aantal slagen dat een goede speler op een hole nodig hoort te hebben: de slagen tot de green plus twee putts. Een hole is een par 3, 4 of 5; de par van de baan is de som.
Waar het woord vandaan komt: In 1870 voor het eerst in golf gebruikt door de schrijver A. H. Doleman, voor de score die het Open op Prestwick zou winnen; de USGA legde par in 1911 vast op lengte. Bron
Birdie
Eén onder par op een hole: een 3 op een par 4. In stableford 3 punten.
Waar het woord vandaan komt: Amerikaanse spreektaal: ‘bird’ betekende iets uitstekends. A. B. Smith vertelde over een ronde in Atlantic City (1898/99; de club zegt 1903) waarin een slag ‘a bird’ was en de inzet verdubbelde voor één onder par. Bron
Eagle
Twee onder par: een 3 op een par 5 of een 2 op een par 4. In stableford 4 punten.
Waar het woord vandaan komt: Volgde begin twintigste eeuw op de birdie, in dezelfde Amerikaanse groep; in 1919 had de term Groot-Brittannië bereikt. Bron
Albatros
Drie onder par: een 2 op een par 5 of een hole-in-one op een par 4. In de Verenigde Staten double eagle. In stableford 5 punten.
Waar het woord vandaan komt: Een Britse term, voor het eerst gevonden in 1929; een hole-in-one op Durban Country Club in 1931 werd ‘de eerste albatros’ genoemd. Bron
Bogey
Eén boven par. Een dubbele bogey is twee erboven, een triple drie.
Waar het woord vandaan komt: Oorspronkelijk de hele ‘ground score’ die een goede golfer hoorde te maken, in 1890 voorgesteld door Hugh Rotherham in Coventry en vernoemd naar de ‘Bogey man’ uit een liedje; ‘Colonel Bogey’ kwam in 1892 van een club in Gosport. Halverwege de twintigste eeuw ging het één boven par betekenen. Bron
Condor
Vier onder par op één hole: een hole-in-one op een par 5. Zo zeldzaam dat de meeste golfers er nooit een zien.
Hole-in-one (ace)
De afslag gaat in de hole. Op een par 3 is dat een eagle; de traditie zegt dat de speler een rondje geeft op de 19e hole.
Level par
Een score gelijk aan par, voor de ronde of op elk moment ervan. ‘Twee onder’ en ‘drie boven’ tel je vanaf hier.
Bruto score
De slagen die je echt sloeg, voordat er handicapslagen afgaan.
Netto score
De bruto score min de handicapslagen die je krijgt. Nettowedstrijden vergelijken deze.
Stablefordpunten
Punten per hole tegen je netto par: 0 voor een netto dubbele bogey of slechter, 1 voor bogey, 2 voor par, 3 voor birdie, 4 voor eagle, 5 voor albatros. Het hoogste totaal wint.
Eerste negen, tweede negen
Hole 1 tot en met 9 en 10 tot en met 18. ‘Out’ en ‘in’ op de kaart komen van linksbanen die langs de kust heen en weer liepen.

De baan

Van tee tot green: de delen van een hole en wat erop ligt.

Tee (afslagplaats)
De plek waar een hole begint, tussen en achter twee teemarkeringen, twee clublengtes diep. Elke teekleur heeft zijn eigen lengte en rating.
Fairway
Het kortgemaaide gras tussen tee en green, waar je afslag hoort te eindigen.
Rough
Het langere gras naast de fairway. Lichte rough kost een beetje; diepe rough een club of een slag.
Green
Het kortgemaaide gebied rond de hole, waar je puttet. De Regels behandelen het apart: je mag er je bal markeren, oppakken en schoonmaken.
Voorgreen (fringe)
De rand van iets langer gras rond de green. Volgens de Regels geen deel van de green, dus niet markeren en oppakken.
Bunker
Een zandhindernis. Je mag het zand voor je slag niet met je club raken, maar sinds 2019 mag je losse natuurlijke voorwerpen weghalen.
Penaltygebied
Water en andere gebieden met rode of gele markering, waaruit je de bal mag spelen of met één strafslag mag droppen. Sinds 2019 de naam in de Regels voor wat vroeger waterhindernis heette.
Out of bounds (out)
Voorbij de grens van de baan, gemarkeerd met witte palen of een lijn. Slag en afstand: opnieuw slaan van waar je sloeg, met één strafslag, tenzij een plaatselijke regel een drop voor twee strafslagen toestaat.
Dogleg
Een hole die naar links of rechts afbuigt. De bocht afsnijden is de korte lijn over de bocht nemen.
Parkbaan
Een baan in het binnenland met bomen, zachtere grond en duidelijke fairways.
Polderbaan
Een vlakke baan op ingepolderd land, vaak met water en weinig beschutting tegen de wind.
Korte baan (par-3-baan)
Een baan met alleen of vooral par-3-holes: ideaal om je korte spel te oefenen en om als beginner de baan op te gaan.
Vlag (pin)
De stok met de vlag in de hole. Sinds 2019 mag je putten met de vlag erin.
Strokeindex
Het getal 1 tot en met 18 op de kaart dat de holes rangschikt naar moeilijkheid voor de handicap: je krijgt je slagen eerst op de laagste indexen.
Slope Rating
Hoeveel zwaarder een tee speelt voor een bogeygolfer dan voor een scratchspeler, van 55 tot 155; 113 is standaard. Onderdeel van de formule voor de baanhandicap.
Course Rating
De score die een scratchspeler vanaf een tee hoort te spelen, op één decimaal (72,3). Samen met de Slope zet hij je Index om in een baanhandicap.

Slagen en balvlucht

Wat de bal deed, en wat de swing ermee deed.

Drive
De afslag op een par 4 of 5, meestal met de driver.
Approach
Een slag naar de green vanaf de fairway of de rough.
Chip
Een lage, korte slag van vlak bij de green die even vliegt en dan naar de hole rolt.
Pitch
Een hogere korte slag die het grootste deel van de afstand vliegt en snel stil ligt, meestal met een wedge.
Lob (flop)
Een heel hoge, korte slag met een geopende wedge die zacht landt. Prachtig als hij lukt.
Bump and run
Een chip met een club met minder loft, zodat de bal grotendeels rolt als een putt. De veilige keus op harde grond.
Punch
Een lage slag met een ingekorte finish, voor de wind of onder bomen door. Je beste vriend op een winderige dag.
Lay-up
Bewust kort blijven voor een hindernis of de green, voor een makkelijke volgende slag.
Draw
Een slag die bij een rechtshandige zacht van rechts naar links buigt, met opzet. De ongecontroleerde versie is een hook.
Fade
Een slag die bij een rechtshandige zacht van links naar rechts buigt, met opzet. De ongecontroleerde versie is een slice.
Hook
Een slag die bij een rechtshandige hard naar links buigt: de clubface staat bij impact gesloten ten opzichte van de swingbaan.
Slice
Een slag die bij een rechtshandige hard naar rechts buigt: de clubface staat bij impact open ten opzichte van de swingbaan. De meest voorkomende misser in golf.
Push, pull
Een rechte bal die rechts (push) of links (pull) van het doel vertrekt: de baan is scheef, niet de face.
Vet, dun
Vet: de club raakt de grond voor de bal. Dun: de onderkant van de club raakt de bal in het midden. Allebei een laagste punt op de verkeerde plek.
Toppen
De club raakt de bovenkant van de bal, die over de grond wegrolt. De misser van de beginner.
Shank
De bal raakt de hosel en schiet schuin naar rechts weg. Het woord dat golfers liever niet hardop zeggen.
Plag
Het stukje gras dat je club na de bal uit de grond slaat; in het Engels een divot. Leg hem terug of vul het gat met zand.
Carry
De afstand die de bal door de lucht vliegt voordat hij landt. De totale afstand telt de rol erbij.
Up and down
De bal in twee slagen in de hole van naast de green: een chip of bunkerslag en één putt.
Green in regulation (GIR)
De green bereiken in par min twee slagen: één slag op een par 3, twee op een par 4, drie op een par 5.
Lag putt
Een lange putt die je dichtbij wilt laten eindigen in plaats van erin. Twee putts vanaf twaalf meter is een goed resultaat.
Gimme (geschonken putt)
Een korte putt die je tegenstander in matchplay weggeeft. In strokeplay bestaan er geen gimmes: alles uitholen.
Tempo
Het ritme van de swing, de verhouding tussen de tijd van backswing en downswing. De meeste goede spelers zitten dicht bij 3 op 1.

Clubs en materiaal

De delen van een club en de woorden van een fitter.

Loft
De hoek van de clubface ten opzichte van verticaal. Meer loft is hoger en korter: een driver heeft zo’n 10 graden, een sand wedge zo’n 56.
Lie
De hoek tussen shaft en zool bij het adresseren. Te rechtop stuurt de bal naar links, te plat naar rechts. Wordt ingesteld bij een fitting.
Bounce
De hoek van de zool van een wedge onder de voorkant. Veel bounce glijdt door zand en zachte grond; weinig bounce past bij harde grond en vlakke swings.
Shaft flex
Hoeveel de shaft buigt: ladies, senior, regular, stiff, extra stiff, afgestemd op je clubsnelheid. Niet bij elk merk hetzelfde.
Hosel
De hals waar de shaft de clubkop in gaat. Raak je de bal daarmee, dan heb je geshankt.
Sweet spot
Het punt op de face waar een slag de meeste balsnelheid geeft en de kop niet verdraait. Kleiner dan hij lijkt.
Offset
De face staat iets achter de lijn van de shaft. Geeft de handen meer tijd om de face recht te krijgen: een anti-slicekenmerk van vergevingsgezinde ijzers.
Cavity back
Een ijzer met een uitgeholde achterkant en het gewicht naar de randen, voor vergevingsgezindheid. Het tegenovergestelde van een blade.
Blade (muscleback)
Een spelersijzer met een massieve, dunne kop: gevoel en controle, weinig vergevingsgezindheid. Ook een smalle, traditionele putter.
Hybride (rescue)
Een club met een kleine houtkop op de shaft van een ijzer, die voor de meeste golfers de lange ijzers vervangt.
Wedge
De ijzers met veel loft voor het korte spel: pitching, gap, sand en lob, van ongeveer 44 tot 64 graden.
Mallet
Een grote, stabiele putterkop die minder verdraait bij putts buiten het midden; het alternatief voor een bladputter.
Grip
Het rubberen handvat van de club, en ook hoe je hem vasthoudt: overlapping (Vardon), interlocking of tienvingergrip.
Smash factor
Balsnelheid gedeeld door clubsnelheid, een maat voor de kwaliteit van je raakpunt op een launch monitor. Zo’n 1,5 bij een goed geraakte drive.
Launch monitor
Een radar- of camerasysteem dat clubsnelheid, balsnelheid, vertrekhoek, spin en carry meet. Waar een fitting op gebouwd is.

Regels en handicap

De woorden van de Golfregels, het handicapsysteem en de Nederlandse praktijk.

Handicap Index
Je meeneembare maat van speelsterkte in het WHS: het gemiddelde van de laagste 8 van je laatste 20 dagresultaten, op één decimaal.
Baanhandicap (Course Handicap)
Je Handicap Index omgerekend naar de tee waarvan je speelt: Index × (Slope ÷ 113) + (Course Rating − par), afgerond. Hij staat ook in de baanhandicaptabel.
Playing handicap
De baanhandicap maal het percentage van de spelvorm (95% bij individuele strokeplay en stableford, op advies van de NGF): de slagen die je in de wedstrijd echt krijgt.
Dagresultaat (score differential)
Wat een ronde waard was op een standaardbaan: (113 ÷ Slope) × (aangepaste bruto score − Course Rating − PCC). Daaruit wordt je handicap opgebouwd.
Netto double bogey
Het meeste wat een hole voor je handicap mag tellen: par + 2 + de slagen die je op de hole krijgt. Daarna kun je oppakken.
Qualifying ronde (Q-kaart)
Een ronde die meetelt voor je handicap. Je bepaalt vooraf de tees en het aantal holes, en je marker keurt je score daarna digitaal goed, het liefst voor middernacht.
Bron
Marker
De medespeler die jouw score bijhoudt en bevestigt. In een qualifying ronde keurt hij je kaart goed.
Baanpermissie
In Nederland de eerste stap: het bewijs dat je de basistechniek beheerst en de golfregels en de regels over veiligheid kent. Je haalt er het golfregelexamen voor.
Bron
Handicap 54
De hoogste handicap in het WHS, en in Nederland de registratie (het vroegere GVB) die bewijst dat je de regels kent en de basistechniek beheerst. Daarmee kun je op vrijwel alle Nederlandse banen spelen.
Bron
Scratchspeler
Een speler met Handicap Index 0,0: hoort de Course Rating te spelen. Een plushandicap is beter dan scratch.
Ontheffing (relief)
De bal op een nieuwe plek droppen zoals de Regels toestaan: gratis (van een pad, tijdelijk water) of met een straf (onspeelbaar, penaltygebied).
Provisionele bal
Een tweede bal die je speelt als de eerste verloren of out kan zijn, zodat je niet terug hoeft te lopen. Kondig hem aan voordat je slaat.
Slag en afstand
De straf voor een verloren bal of out: één strafslag en opnieuw slaan van waar je het laatst sloeg.
Onspeelbare bal
Je mag een bal overal onspeelbaar verklaren, behalve in een penaltygebied: één strafslag en droppen binnen twee clublengtes, terug op de lijn, of op de plek waar je het laatst sloeg.
Droppen
De bal vanaf kniehoogte in het ontheffingsgebied laten vallen. Voor 2019 was dat vanaf schouderhoogte.
Honour
Het recht om als eerste af te slaan, voor wie op de vorige hole de laagste score had. In strokeplay wordt ready golf aangemoedigd.
Ready golf
Spelen als je klaar bent in plaats van strikt op volgorde, in strokeplay, voor het tempo. De Regels moedigen het aan (Regel 6.4b).
Plaatselijke regel
Een regel die de commissie toevoegt voor de baan of de dag, zoals placing of het alternatief met twee strafslagen voor slag en afstand.
Placing (winterregels)
Een plaatselijke regel waarmee je de bal op kortgemaaide gebieden mag oppakken, schoonmaken en neerleggen als de baan nat is.
Wereld Handicap Systeem (WHS)
Het ene handicapsysteem van de R&A en de USGA sinds 2020, in Nederland sinds 1 maart 2021, met de Handicap Index, de baanhandicap en de playing handicap.

Spelvormen

De manieren waarop je een ronde speelt en telt.

Strokeplay
Elke slag over de hele ronde tellen; de laagste totaalscore wint. De spelvorm van de meeste toernooien.
Matchplay
Hole voor hole tegen een tegenstander: elke hole winnen, verliezen of delen; wie de meeste holes wint, wint. ‘3&2’ betekent drie up met nog twee te spelen.
Stableford
Punten per hole tegen netto par, waarbij een ontplofte hole alleen een nul kost. De spelvorm van de clubgolfer.
Fourball (beste bal)
Twee duo’s, iedereen speelt zijn eigen bal, en per hole telt de beste score van elk duo.
Foursome
Duo’s spelen één bal om en om, en slaan om de beurt af per hole. Vaak de spelvorm van de ochtendsessies in de Ryder Cup.
Greensome
Beide partners slaan af, kiezen de beste afslag en spelen vanaf daar om en om.
Texas scramble
Het team speelt na elke slag vanaf de beste bal, vaak met een minimum aantal afslagen per speler. De spelvorm van de clubdag.
Skins
Elke hole is een skin voor de laagste unieke score; bij gelijkspel schuift hij door naar de volgende hole.
Nassau
Drie partijen in één ronde: de eerste negen, de tweede negen en de hele 18, meestal in matchplay.
Wolf
Een spel voor vier: de wolf rouleert, kiest na elke afslag een partner of gaat alleen voor meer punten.
Shotgunstart
Alle flights starten tegelijk op een andere hole, zodat het hele veld tegelijk binnenkomt.

Jargon

Wat golfers in de baan zeggen en geen regelboek uitlegt.

Fore!
De waarschuwing dat er een bal richting iemand gaat. Roep het vroeg en luid; niemand neemt je een vals alarm kwalijk.
Mulligan
Een slechte slag overdoen, meestal de eerste afslag. Onder vrienden toegestaan, nergens in de Regels.
Sandbagger
Een speler met een hogere handicap dan zijn spel, die te vaak nettowedstrijden wint. Het WHS heeft caps en beoordelingen door de commissie om dat te beperken.
De yips
Een onwillekeurige trilling of verkramping bij korte putts en chips, die met oefenen niet weg lijkt te gaan. Echt, onderzocht, en geen karakterfout.
De 19e hole
De bar in het clubhuis, waar de ronde slag voor slag wordt nagespeeld.
Een Q-kaart lopen
Een qualifying ronde spelen, die meetelt voor je handicap. Vooraf tees en aantal holes bepalen, daarna laat je marker je score digitaal goedkeuren.
Bron
Golfweduwe (golfweduwnaar)
De partner die thuisblijft terwijl jij op zaterdag je rondje loopt. Met liefde gezegd, meestal.
Snowman (sneeuwpop)
Een 8 op een hole, naar de vorm van het cijfer op de kaart.
Gebakken ei (spiegelei)
Een bal die half begraven ligt in zijn eigen krater in de bunker, na een landing in zacht zand.

Drie woorden die niet zijn wat ze lijken

Par is als woord in golf ouder dan bogey, al was bogey de eerste standaard: een schrijver vroeg in 1870 twee professionals wat het Open zou winnen en noemde dat par. Bogey was de eerste standaard, een denkbeeldige tegenstander tegen wie je speelde, voordat het één boven par ging betekenen. En birdie is Amerikaanse spreektaal die de oceaan overstak, en daarom moesten de Britten ‘albatros’ bedenken voor drie onder par, terwijl Amerikanen double eagle zeggen. De pagina over de scoretermen heeft het hele verhaal; de pagina over golfjargon de woorden die niemand je op de eerste tee uitlegt.

In Nederland is de golftaal grotendeels Engels gebleven, met een paar eigen woorden die je moet kennen: de plag die je teruglegt, de baanpermissie en handicap 54 waarmee je de baan op mag, de Q-kaart die meetelt voor je handicap en de baanhandicap die in de tabel bij de baan staat. Hoe je je gedraagt op de baan, staat op de pagina over golfetiquette.

Bronnen

Vragen over de woordenlijst

Welke golftermen moet een beginner kennen?

Par, birdie en bogey voor de score; tee, fairway, rough, green en bunker voor de baan; drive, approach, chip, pitch en putt voor de slagen; slice en hook voor de missers; en ‘fore’ voor de veiligheid. Voeg daar in Nederland baanpermissie, handicap 54, flight, marker en qualifying aan toe, en je komt in gezelschap de baan rond.

Wat betekenen birdie, eagle en albatros?

Eén, twee en drie onder par op een hole. Birdie komt uit de Amerikaanse spreektaal (‘a bird of a shot’, Atlantic City, rond 1903); eagle volgde als grotere vogel; albatros is de Britse naam voor drie onder par, wat Amerikanen een double eagle noemen.

Waarom heet één boven par een bogey?

Omdat ‘bogey’ eerst de hele score was die een goede golfer op een baan hoorde te maken, in de jaren 1890 in Great Yarmouth vernoemd naar de ‘Bogey man’ uit een populair liedje, waarna de denkbeeldige tegenstander in Gosport tot kolonel werd bevorderd. Toen par de standaard werd, schoof bogey op naar één boven par.

Wat is het verschil tussen een draw en een hook?

Richting en opzet. Allebei buigen ze bij een rechtshandige van rechts naar links; een draw is zacht en met opzet, een hook is fel en niet. Hetzelfde geldt voor fade en slice, de andere kant op.

Kan ik naar één term linken?

Ja: elke term heeft een eigen anker, dus een link opent de pagina precies bij dat woord. De knoppen bovenaan springen naar elke categorie.

Ga verder met Morris op WhatsApp

Stuur hem je volgende video vanaf je telefoon, vraag hem naar de oefening, en hij onthoudt je prioriteit. Gratis beginnen, alleen je mobiele nummer.

Verder op WhatsApp